Er zijn van die doodsklappen waar een heel leven daadwerkelijk op stukloopt.
Filosofie van de dood
Niet op een ruzie. Niet op een grote verwijdering. Maar op een kruising. Een onoverzichtelijke kruising ergens bij Boekelo. Een elektriciteitshuisje dat nét verkeerd staat. Een auto van rechts. Een seconde die zich voordoet als een gewone seconde. En dan: niets is dan nog gewoon.
Volgens een ooggetuigenverslag uit Wim Schoutens memoires zei Bert Schierbeek later aan de telefoon:
Ik heb godverdomme Margreetje doodgereden.
Schouten beschrijft hoe Schierbeek vertelde dat zij samen in hun Volkswagenbusje reden, - dat het zicht op die kruising werd belemmerd, dat Margreetje nog zei:
Rij maar, er komt niets aan - ..
..en dat zij bij een gruwelijke botsing met een aanstormende Mercedes uit het busje werd gekatapulteerd en op slag dood was.
Zo gemeen is de werkelijkheid dus.
Die kwam binnen in de vorm van die Mercedes die 100 km per uur reed. En daarna blijft er een knock-out geslagen man achter die toevallig Bert Schierbeek heet, maar op dat moment vooral de zogenaamde overlevende is. Hoe is dat?!
Schierbeek, de man van de Vijftigers
De man van de experimenten, van de taal die alle kanten op schoot als een kudde op drift geslagen gedachten. De schrijver die de naoorlogse Nederlandse literatuur openbrak met Het boek Ik, die van proza poëzie maakte en van poëzie een vorm van ademhalen. De Bezige Bij noemt hem niet voor niets een van de meest gezichtsbepalende figuren van de experimentele literatuur.
Graa Boomsma’s biografie
Niemand is waterdicht verscheen in 2021 als een monument voor zijn veelbewogen leven. Ik heb van dat enorm dikke boek genoten. Alle literaire geschiedenis wordt klein naast één dood lichaam op asfalt. Ik kon die geschiedenis alleen maar huilend lezen, zo indringend wist de auteur te schrijven.
De literatuur zelf verraadt altijd meer dan de biografie.
Wie even goed kijkt, ziet haar overal. Al ruim vóór haar dood droeg Bert werk aan haar op. De gestalte der stem uit 1957: Voor Margreetje. En ook Een groot dood dier uit 1963: voor Margreetje. Alsof hij haar toen al in taal probeerde vast te leggen, niet wetend dat taal later het enige zou zijn wat nog niet onder de wielen was verpulverd.
Na het ongeluk schreef hij niet over de dood zoals brave recensenten dat graag zeggen. Nee. Hij werkte door alsof hij onder narcose stond. In een interview met Ischa Meijer beschrijft Schierbeek het moment met afgrijselijke precisie: midden in een zin reed die auto op haar in -
Die zin maak je dan nooit af
En misschien is dat waarom die titel van Boomsma zo raak is: Niemand is waterdicht. Niet de grote schrijver. Niet de experimentele vernieuwer. Niet de man die oorlog, ideologie, kunstkringen en literaire mythologie had overleefd. Uiteindelijk is het geen fascisme, geen canon, geen kritiek, geen polemiek die hem openrijt, maar die verdomde kruising in Twente. Arme Bert.
Zij werd uit de auto geslagen.
Hij werd uit zijn taal geslagen.
En heel de rest van zijn werk is daarna, ergens, een beschrijving van een totaal wanhopige man die probeert terug te denken aan die seconde vóórdat iemand zei:
Rij maar, er komt niets aan - ..
Er kwam wel iets aan.
Altijd komt er iets aan.
-----------------------------------------------------------
Gedicht uit de bundel De Deur (1972)
maar we zouden niet vergeten dat
maar we zouden niet vergeten dat
we hebben gelachen, gelachen hebben
we veel en dat zal ik niet vergeten
want we hebben gelachen en veel hè?
en dat zullen we nooit vergeten om-
dat we zoveel gelachen hebben en dat
niet vergeten gvd wat hebben we gelachen
en niet en nooit vergeten dat we zo
hebben gelachen omdat we samen waren
en zoveel gelachen hebben dat we
het nooit zullen vergeten
Reactie plaatsen
Reacties