Wij woonden vroeger in een soort besloten Park dat je bereikte via een oprijlaan met link en rechts leeuwen in brons en met grote huizen die in een ellips gebouwd waren. Dat had het voordeel dat iedereen die daar woonde elkaar wel zo'n beetje kende. Het was een soort van community. Bij dat Park hoorde een eiland dat er zo'n beetje aan vastzat, een klein natuurgebiedje. Om dat eiland lag een best wel brede en diepe vaart, je kon er alleen komen door voorzichtig over een niet al te brede wiebelende plank naar de overkant te waggelen.
Het was die geheime plek waar wij als kinderen maar wat graag speelden. Boomhutten maken, fikkie steken, je eerste vriendinnetje samen met een vriendje 'bevoelen'. Dat stelde niks voor, je mocht hooguit je hand op het meestal goed ingepakte kruis van Solfie leggen, terwijl mijn vriend Vernon met ogen op stokjes toekeek.
s' Winters was het helemaal een feest om daar in dat Park te wonen. Sleeën werden te voorschijn gehaald en zo, sliertend achter een stinkende Buick of Cadillac die almaar rondjes reed, werden die sleeën met een flinke vaart voortgetrokken. Die sleeën zaten vol geladen: 2 rijen dik kinderen die zich goed vastklampten omdat je met een rotgang door het dikke pak sneeuw werd getrokken. Vooral in de bochten was het niet ongevaarlijk, soms ging zo'n slee zo hard, dat ie kantelde en je maakte dan een flinke smak. Het is op een keer gebeurd dat een van de grotere jongens zich liggend helemaal achteraan in de stoet op een ladder liet meeslepen door de sneeuw. Die botste op een gegeven moment met een noodgang tegen de stoeprand in de bocht. Zijn 'slee' was versplinterd en hij zelf ook..
De vaart rond het eiland was diepgevroren, er werden 's avonds ijshockeywedstrijden gehouden, de puck vloog van links naar rechts in het spaarzame licht van zaklantaarns, terwijl de bewoners juichten of loeiden bij een doelpunt.
Op een goeie dag begon het te dooien en waren mijn grotere broers met hun vrienden na school naar de vaart getrokken om daar te gaan 'schotsje trappen'. Wij, de kleintjes, mijn jongere broertje en ik, slopen achter het groepje stoere gasten aan om te zien hoe zij dat deden. Eenmaal bij het eiland aangekomen, staken we een voor een de plank over naar de overkant en keken gebiologeerd toe hoe deze helden, - razendsnel van de ene schots op de andere schots springend, de parkkant bereikten. Op een gegeven moment waren de jongens uitgeraasd. Ik waggelde voorzichtig ook retour over de plank vanaf het eiland naar de overkant, toen ik ineens rechts van mij in een flits mijn kleinere broertje langs zag vliegen over de ijsschotsen. Hij slaakte kreten en probeerde zich zo goed en zo kwaad als het ging om zich staande te houden op de gladde stukken donkere ijs die onder hem weggleden.
Ineens stokte zijn helletocht halverwege en schoot de schots waarop hij net geland was onder hem vandaan. Hij zakte in no time weg in het donkere zwarte water, ik kom hem met de grootst mogelijke moeite nog net aan zijn sjaal vastpakken. Ik begon te brullen als een speenvarken. Mijn grotere broers en hun vrienden waren echter allang verdwenen. Mijn broertje woog loodzwaar, hij was gewikkeld in een dikke jas, had een paar dikke truien over elkaar aan, had wanten aan, een muts op en had zware laarzen aan zijn voeten. Ik lag plat op mijn buik op de plank. Ik kon hem met al mijn kracht die ik in mij had toch niet helemaal boven water houden. Steeds opnieuw zakte hij naar onder in het inktzwarte water, zijn gezicht begon al helemaal blauw te worden. Ik kijk nog steeds in de enorme schotels van zijn donkere ogen: doodsangst. Ik gilde en gilde. De wanhoop nabij.
De moeder van Solfie, die in het huis dat grensde aan de vaart waar de plank overheen lag woonde, was boven bedden aan het opmaken, toen zij opeens het buitenaardse gekrijs van iemand in doodsnood gewaar werd. Dit klonk niet normaal meer. Zij spitste een kort moment haar oren en kwam toen pijlsnel in actie. Toen zij buitenom richting de plank kwam aanrennen, was ik inmiddels geheel en al buiten zinnen geraakt. Mijn broertje dreef onder mij, ik hield hem drijvend nog wel vast aan de sjaal, meer kon ik niet meer doen. Mijn geschreeuw moet geklonken hebben als uit het hiernamaals, als een brullen uit de dodenwereld, een wrede boodschap direct uit de hel. Onwerkelijk en voorbij menselijke grenzen.
Mijn broer werd gered en lag nu op de wallenkant. Hij ademde nog wel, maar hij was buiten bewustzijn. Hij werd op zijn kant gedraaid en beklopt. De moeder van Solfie stopte haar vinger achterin zijn keel. Even later begon hij te schokken over zijn hele lichaam. Uit zijn mond spuwde hij ijskoud water. Hij keek mij aan en klampte zich even later aan mij vast.
Inmiddels waren mijn grotere broers weer teruggekomen met hun vrienden. Mijn jongste broertje werd door hen opgetild en onder luid geroep en geschreeuw 'een snoek', 'een snoek!', 'we hebben een snoek gevangen!' ging het huiswaarts.
Mijn moeder die vijf zonen had en dus wel wat gewend was schrok hevig en sprak de onvergetelijke woorden: die leeft tenminste nog!
Ik keek bibberend toe hoe ze hem ontkleedde en onder een hete douche zette, wel een half uur lang. Mijn broertje bleef maar naar mij staren.