Wat heeft u liever: fictie of feiten?

Gepubliceerd op 2 juni 2026 om 07:30

Discours over nationalisme als de geopolitieke dreiging voor de mensheid (opnieuw hoogst actueel)

Over oorlog, en over vrede. Daar wil ik het met u wat diepgaander hebben. Graaft u even met mij mee in mijn herinneringen, als jonge gymnasiast? Ik was, - toen al, een overtuigd pacifist. Ik had een vriendinnetje met een vader die Majoor was. Voelt u de bui al hangen? Ik had sowieso weinig op met Vaderen, met deze eigenlijk best barbaarse vader kon ik nauwelijks door een deur. Mijn vriendin kreeg geen cent van haar ouweheer, die er overigens wel alleen voor stond in de Spartaanse opvoeding (zijn echtgenote was een zwaar zieke vrouw). Onze discussies met betrekking tot oorlog en vrede laaiden hoog op. De Majoor haatte mij om mijn arrogante hippe praatjes, had met zijn korte bloempotkapsel een pesthekel aan mijn lange haren en om mijn pacifistische opvattingen kon hij me wel schieten. En ik vroeg mij op mijn beurt op zeker moment af wat deze krenterige rotkerel nu eigenlijk deed voor de kost? Deze vraag legde ik op een goeie dag in alle openheid aan hem voor. Hij trok me prompt mee in zijn militaire kloffie naar zijn dienstauto en na een niet bepaald gezellig helleritje richting Scheveningen, reden we even later het godverlaten kazerneterrein op. Er was daar verder werkelijk niemand te bekennen. Toen ik hem ernaar vroeg, monkelde hij: ‘Tja, wat wil je, het is vredestijd!

Ik lachte besmuikt, maar hoorbaar. Hij maakte zwijgend een ijzeren deur open en ik volgde hem door lange gangen naar de ‘kaartenkamer’. Daar hing op een van de wanden een enorme stafkaart en voordat ik het wist begon hij met een aanwijsstok regio’s, steden, duinen en dalen, verschansingen en doelwitten aan te wijzen. Hier en daar staken rood-wit-blauwe vlaggetjes in de kaart en de beste man verloor zich in een ellenlange tirade over aanvallende, dan wel terugtrekkende troepenbewegingen. Zijn ogen schitterden en fonkelden, toen hij over een denkbeeldige tankslag bij Ypenburg uitweidde. Ineens stopte hij abrupt en vroeg wat ik ervan vond? Ik besloot hem eens flink te tackelen: Spelen jullie zo infantiel hier de hele dag oorlogje? vroeg ik hem, temend. Man, oh man! Jij leeft in een totale fictie! Meewarig schudde hij zijn hoofd.

'Het gaat om feitelijke situaties die zich op het slagveld kunnen voordoen', orakelde hij. Ik hield hem, de christenhond, het verhaal van Jezus voor en hoe die zijn vijand, - die hem in het gezicht sloeg, ook de andere wang toekeerde.

Op de terugweg wisten we geen van beiden nog iets te zeggen.

Maanden later kondigde zich een zwarte dag aan voor hem: zijn arme vrouw, die hij stiekem niet kon luchten of zien, overleed. Mijn vriendinnetje was in tranen, maar mijn gebruikelijke stapeltje gratis geld, gejat uit mijn moeders huishoudportemonnee, deed wonderen. Toen de dag van de begrafenis aanbrak regende het. De rouwstoet naderde het open graf, ergens onderaan de duinen. Ik hoorde de zee murmelen in de verte. We stelden ons gedwee op tegenover het diepe gat met daarop de baar met de kist. Achter het gat stonden tot mijn schrik een vijftal bobo’s van Defensie in vol ornaat. Eentje, vast de Hoogste Piet, stond ’n beetje scheef, zoveel zware onderscheidingen prijkten op zijn uniform. De vader van mijn vriendin was in burger. De man had nauwelijks oog voor de kist, staarde gebiologeerd naar zijn superieuren.

De muziek stopte. De lijkbezorger gaf een teken dat hij de baar ging laten zakken. Er klonk een luid bevel. De vijf hotemetoten salueerden als 1 man.

De Majoor strompelde in zijn burgerkloffie naar voren, bleef vlak voor de kist staan, - die begon te zakken en wist niets anders te bedenken dan ook te salueren naar zijn meerderen. Ik verstijfde.

Geen moment aandacht voor de kist met daarin zijn echtgenote.

Ik had hem het liefst het zwarte gat in geduwd. De liefdeloosheid!

Was die liefhebbende wederhelft wellicht de aartsvijand? Zand erover?!

Zelfs de dood van zijn echtgenote kreeg geen vat op dit fictieve militaire toneelstukje. En ik, ik wilde het liefst geweld tegen hem gebruiken.

 

Ik vertel u dit verhaal omdat ik u wil laten zien hoe sterk de kracht van groepsgebonden fictie is. Met fictie (Latijn: fictio, verdichtsel) wordt in de narratologie een verzonnen verhaal aangeduid. We doden maar wat graag onze tijd fictioneel. Dit in tegenstelling tot non-fictie, die uitgaat van de feitelijke werkelijkheid. Het fictieve militaire poppenkastspel kan men dagelijks in de media aanschouwen, terwijl tegelijkertijd een echte oorlog woedt.

Alsof het de normaalste zaak van de wereld is spreekt een legertje defensiespecialisten ons dagelijks toe over de soort wapens die gebruikt worden om de ander uit te schakelen, te vernietigen, over grote aantallen gevechtseenheden, aantallen gewonden, aantallen dodelijke slachtoffers.

Men verzet hier en daar eens een vlaggetje, wijst met de onvermijdelijke aanwijsstok nog maar weer eens een actuele oorlogsregio aan, een rivier die verdedigd moet worden of een brug. Verwoesting alom. Oorlog een aberratie? Het komt niet in hen op. De onderliggende drive is altijd een puur tribale: de (westerse) natie moet worden verdedigd. Het vlagvertoon is er niet voor niets, nog even en we gaan desnoods zelf ook daadwerkelijk het gevecht aan in Oekraïne, voor Volk en Vaderland (destijds godbetert ook voor Oranje -goddank hoor je daar steeds minder over).

Het is: Wij tegen Zij. De NAVO tegen het Warschaupact, of wat daar dankzij datzelfde westen nog van over is. Het Westen tegen het Oosten. Wij zijn de Goeden, zij de Slechteriken. God is met ons, met hen is de Duivel. Zwart, wit, een moderne media-event, uitpuilend van de horror die oorlog nu eenmaal is.

Voetbal is gesublimeerde oorlog

Weet u nog het WK-voetbal? Waarom daarnaar kijken? Vanwege de deelnemende Naties! Ze speelden hun Wereldvoetbalspelletje onder een of andere nationale vlag, terwijl de opgewonden voetballende poppetjes allemaal onderling inwisselbaar waren, net als de destijds ook reeds internationaal opererende gladiatoren in de Romeinse arena. Ook nu was het tribale, nationale aspect dus intrinsiek onwaar en daarmee was de hele vertoning poppenkast, fictie, een modern sprookje waar een handjevol maffiose UEFA-bonzen stinkend rijk van is geworden. We keken nationaal slechts naar voetballendegeldmachines, die de voetballers tegenwoordig nu eenmaal zijn.

De nationale vlaggen vormden de perfecte dekmantel. Wat een mombakkes!

Ik heb het hier over de verschrikkelijke ziekte die tussen onze oren zit en nationaliteit heet. Wij zijn allemaal besmet met deze moordende ziekte, die van het uitverkoren volk. Want wij, en alleen wij zijn het uitverkoren volk.

De Andere Natie dient verpletterd te worden, uitgeroeid. Categorisch vrede ontlopen, dat is de kunst. Deze ziekte heeft, - onder veel meer, ook tot deHolocaust geleid. Laten we uit alle macht proberen kosmopolieten te worden.

Grenzen zitten tussen de oren, we hebben het expliciet over ficties. Van kosmopolitisme is sprake als iemand een gevoel van verbondenheid met de mensheid in het algemeen ervaart, dat sterker is dan enig gevoel voor nationale of regionale identiteit. Een dergelijke geopolitieke verbondenheid wordt ook wel aangemerkt als wereldburgerschap.

 De intensiteit van ons virtuele bestaan drukt men uit in schermtijd. Helaas is het aantal uren per dag dat wij virtueel bestaan, behalve onthullend, vooral verbluffend vanzelfsprekend geworden. Onze honger naar verhalen, of die nu waar gebeurd zijn of niet, is blijkbaar onuitputtelijk. Ons Ware Zelf zoeken wij in de krochten van het internet, podcasts. In Games als Warcraft of in de fictieve metawereld van Netflix’ oorlogsseries voelen we ons thuis, spannend, oorlog! Feitelijk schreeuwt de planeet echter om pacifistische aardbewoners. Dat pacifisme, geweldloosheid, zijn we verplicht aan diezelfde planeet, die bij een eventuele kernoorlog ten onder dreigt te gaan. Geweld maakt meer kapot dan ons lief is. Er bestaat geen goede oorlog, er bestaat geen slechte vrede.

 

Deze tekst is eerder geplaatst in het gratis Loving Geopolitics Magazine: https://lovinggeopolitics.nl/