Discours over nationalisme als de geopolitieke dreiging voor de mensheid (opnieuw hoogst actueel)
Over oorlog, en over vrede. Daar wil ik het met u wat diepgaander hebben. Graaft u even met mij mee in mijn herinneringen, als jonge gymnasiast? Ik was, - toen al, een overtuigd pacifist. Ik had een vriendinnetje met een vader die Majoor was. Voelt u de bui al hangen? Ik had sowieso weinig op met Vaderen, met deze eigenlijk best barbaarse vader kon ik nauwelijks door een deur. Mijn vriendin kreeg geen cent van haar ouweheer, die er overigens wel alleen voor stond in de Spartaanse opvoeding (zijn echtgenote was een zwaar zieke vrouw). Onze discussies met betrekking tot oorlog en vrede laaiden hoog op. De Majoor haatte mij om mijn arrogante hippe praatjes, had met zijn korte bloempotkapsel een pesthekel aan mijn lange haren en om mijn pacifistische opvattingen kon hij me wel schieten. En ik vroeg mij op mijn beurt op zeker moment af wat deze krenterige rotkerel nu eigenlijk deed voor de kost? Deze vraag legde ik op een goeie dag in alle openheid aan hem voor. Hij trok me prompt mee in zijn militaire kloffie naar zijn dienstauto en na een niet bepaald gezellig helleritje richting Scheveningen, reden we even later het godverlaten kazerneterrein op. Er was daar verder werkelijk niemand te bekennen. Toen ik hem ernaar vroeg, monkelde hij: ‘Tja, wat wil je, het is vredestijd!’
Ik lachte besmuikt, maar hoorbaar. Hij maakte zwijgend een ijzeren deur open en ik volgde hem door lange gangen naar de ‘kaartenkamer’. Daar hing op een van de wanden een enorme stafkaart en voordat ik het wist begon hij met een aanwijsstok regio’s, steden, duinen en dalen, verschansingen en doelwitten aan te wijzen. Hier en daar staken rood-wit-blauwe vlaggetjes in de kaart en de beste man verloor zich in een ellenlange tirade over aanvallende, dan wel terugtrekkende troepenbewegingen. Zijn ogen schitterden en fonkelden, toen hij over een denkbeeldige tankslag bij Ypenburg uitweidde. Ineens stopte hij abrupt en vroeg wat ik ervan vond? Ik besloot hem eens flink te tackelen: ‘Spelen jullie zo infantiel hier de hele dag oorlogje?’ vroeg ik hem, temend. ‘Man, oh man! Jij leeft in een totale fictie!’ Meewarig schudde hij zijn hoofd.
'Het gaat om feitelijke situaties die zich op het slagveld kunnen voordoen', orakelde hij. Ik hield hem, de christenhond, het verhaal van Jezus voor en hoe die zijn vijand, - die hem in het gezicht sloeg, ook de andere wang toekeerde.
Op de terugweg wisten we geen van beiden nog iets te zeggen.
Maanden later kondigde zich een zwarte dag aan voor hem: zijn arme vrouw, die hij stiekem niet kon luchten of zien, overleed. Mijn vriendinnetje was in tranen, maar mijn gebruikelijke stapeltje gratis geld, gejat uit mijn moeders huishoudportemonnee, deed wonderen. Toen de dag van de begrafenis aanbrak regende het. De rouwstoet naderde het open graf, ergens onderaan de duinen. Ik hoorde de zee murmelen in de verte. We stelden ons gedwee op tegenover het diepe gat met daarop de baar met de kist. Achter het gat stonden tot mijn schrik een vijftal bobo’s van Defensie in vol ornaat. Eentje, vast de Hoogste Piet, stond ’n beetje scheef, zoveel zware onderscheidingen prijkten op zijn uniform. De vader van mijn vriendin was in burger. De man had nauwelijks oog voor de kist, staarde gebiologeerd naar zijn superieuren.
De muziek stopte. De lijkbezorger gaf een teken dat hij de baar ging laten zakken. Er klonk een luid bevel. De vijf hotemetoten salueerden als 1 man.
De Majoor strompelde in zijn burgerkloffie naar voren, bleef vlak voor de kist staan, - die begon te zakken en wist niets anders te bedenken dan ook te salueren naar zijn meerderen. Ik verstijfde.
Geen moment aandacht voor de kist met daarin zijn echtgenote.
Ik had hem het liefst het zwarte gat in geduwd. De liefdeloosheid!
Was die liefhebbende wederhelft wellicht de aartsvijand? Zand erover?!
Zelfs de dood van zijn echtgenote kreeg geen vat op dit fictieve militaire toneelstukje. En ik, ik wilde het liefst geweld tegen hem gebruiken.