Discours, nu eens niet over vrijheid, noch gelijkheid, maar over broederschap
Ik kom uit een gereformeerd gezin, ik heb maar liefst vier broers. Wij werden streng, doch rechtvaardig opgevoed. Desalniettemin sloegen wij broers elkaar soms nog net niet de hersens in. Althans, een bloedneus was wel het minste. Het slachtoffer vluchtte gewoonlijk de tuin in. Mijn principiële Vader (zaliger) stelde in dat soort situaties onverbiddelijk de hamvraag: ..wie eindverantwoordelijk was voor dit bloedbad?
Na enig aandringen schreeuwde een van de broers, die Vader aan wilde geven niet verantwoordelijk te zijn voor de overduidelijke misstap, met enig theatraal gevoel voor drama:
Ben ik mijns broeders hoeder?
Vader, Bijbelvast, kon een glimlach dan ternauwernood onderdrukken. Deze uitdrukking was immers ontleend aan het Bijbelboek Genesis (4:9), waarin de geschiedenis van de broers Kaïn en Abel is opgetekend. Deze zonen van Adam en Eva verschilden qua karakter enorm van elkaar (net als wij broers overigens).
Op een dag brengen zij, ieder afzonderlijk, een offer aan God. De rook van het offer van Abel kringelt recht omhoog. God ontvangt de offerande, is er blij mee. De rook van Kaïns’ offer slaat neer, verwaait. Diens offer bereikt God niet. Kaïn, hoestend en proestend en met een rood hoofd, stikt haast van woede in zijn eigen rook. Alleen het offer van Abel werd door God opgemerkt. Voor Kaïns’ offer had hij geen oog. Kaïn was hierover zo boos dat hij zijn broer doodsloeg. God wendde zich hierop tot Kaïn en vroeg hem waar zijn broer was. Kaïn nam geen verantwoordelijkheid voor zijn daad en liet blijken dat hij wel wat beters te doen had dan op zijn broer te letten:
‘Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder?’
Deze zinsnede is vervolgens in onze taal beland (let op de tweede naamval) en wordt nog steeds gebruikt om aan te geven dat iemand geen verantwoordelijkheid wenst te nemen voor het welzijn van een ander.
Dit oeroude verhaal stelt de vraag naar de inhoud van broederschap. Verantwoordelijkheid was juist voor ons Vader te allen tijde het sleutelbegrip: je moest de wereld een beetje beter achterlaten dan je hem aantrof.
Nu ik terugkijk op mijn onstuimige leven (dat bepaald niet erg calvinistisch verlopen is), vraag ik mij af hoe het zit met die broederschap? Hoe zit die nu verweven in onze cultuur?
Is er eigenlijk nog wel sprake van solidariteit, als een waarde, van ethiek, van moraliteit?
Vanouds gaf wereldwijd religie mensen houvast. Nu, de God van Kaïn en Abel is dood, de protestants christelijke religie fossiel, met zijn ritueel van het Heilig Avondmaal waarbij het Bloed van Christus gedronken en zijn Lichaam gegeten wordt: kannibalistischer kan het niet. Het Mensenoffer Jezus, die stierf voor onze zonden, toe maar, sla hem vooral aan het Kruis. Monotheïsme is toch nog altijd beter dan het polytheïsme van de Azteken waarbij soms duizenden tegelijk geofferd werden aan de toenmalige Hoogheid.
En katholicisme dan?
Het verschrikkelijke pedoschandaal heeft zelfs de oeroude Katholieke Kerk fundamenteel aan het wankelen gebracht. Wat moeten we nog aan met een verhaaltje over een Maagd die de Zoon van God baarde? Denk ook nog maar eens terug aan onze eigen Kruistochten en Inquisitie, mijn god zeg, zo fraai was het christendom niet. Ook de andere grote wereldgodsdiensten blinken stuk voor stuk uit in patriarchale ficties. De haat sermoenen van opgewonden standjes, of deze van islamitische, joods-orthodoxe, of hindoe-nationalistische zijde komen, het is om het even. Blind geloof in welk religieus dogma dan ook, meest verkondigd door oudere heren die met hun bebloede wijsvinger hooggeheven op luide toon hun fatwa’s de wereld in slingeren: religie is werkelijk de grootste plaag die de planeet geselt, gezien de mechanica van world wide religieus, tomeloos geweld.
Wereldwijd worden fanatieke aanhangers opgehitst tot terreurdaden: of het nu gaat om de jihadisten van IS, orthodox-zionistische kolonisten, hindoestaanse Mujahideen uit India, of de leden van de orthodox-christelijk georiënteerde, gewelddadige Ku Klux Clan.
Zie hoe extremisten van MaBaTha olv Wirathu in een mix van godsdienst en politiek-etnisch nationalisme zelfs een van de meest vredelievende religies, het Boeddhisme, bepaald niet onbesmeurd laten in Myanmar. Nee, de grote godsdiensten hebben er een puinhoop van gemaakt, als het om broederschap gaat.
God de Vader is inmiddels hooguit nog The Godfather, een maffiabaas.
De enige nog overgebleven religie is immers het onuitroeibare geloof in het Gouden Kalf, al dansend beleden in de eredienst voor de Mammon van het Kapitalisme. Dit is een bijgeloof, met als icoon het enorme bronzen beeld van de Stier van de hand van beeldhouwer Arturo di Modica, destijds al als toeristische attractie vlak voor de Beurs op Wall Street geplaatst. Het financieel gedachtegoed, ook wel kapitalisme genoemd, stoelt fundamenteel op leugens, op de dagelijkse propaganda van de voze media van het monetaire imperium, dat haar ware gelovigen onmetelijke rijkdom voorspiegelt als het ware geluk. Het is ook letterlijk een moorddadige ideologie, met als leidraad de giftige fascistische schrijfsels van Ayn Rand: survival of the fittest, ten koste van de zwakkeren.
Le Livre noir du capitalisme, een zwartboek uit 1998, omvat een ellenlange lijst en komt uit op een totaal van ongeveer 100 miljoen doden, toe te schrijven aan het kapitalisme in de 20e eeuw. Het huidige casinokapitalisme mag dan wellicht een quasi-religie zijn, maar is intussen wel het meest wijdverspreid van allemaal. De ganse wereldbevolking laat zich maar al te graag, dag in, dag uit, via alle media brainwashen door de fundamentalistische geestelijken van dit primitieve cowboykapitalisme, met als Hogepriesters op gympies mensen als Elon Musk, Jeff Bezos, Peter Thiel, Mark Zuckerberg. Deze narcistische hedendaagse halfgoden, hoog op hun goudgerande Olympus Gebergte tronend, beschouwen zichzelf als hoogst duurzame entiteiten: zij zijn immers naarstig op zoek naar onsterfelijkheid. Filosofie van de Dood? Afschaffen, die Magere Hein! die zeisen wij binnen afzienbare tijd de kop af! En dat mag ook best wat kosten. Dus voordat je
het weet, zitten we voor eeuwig vast aan deze rolmodellen:
Übermenschen. Tel uit uw ‘winst’!
Wie materieel het meest weet te verzamelen, is de gedoodverfde Grote Winnaar. Zij vormen met elkaar een akelig kwaadaardige optelsom, de 1% van graaiende superego’s, een kleine hiërarchie van oligarchen die de rest van de wereld als een citroen weet uit te persen, dankzij de vigerende ideologie van ‘de vrije markt’. Een vrije markt baseert zich op particulier initiatief voor het produceren en leveren van producten en diensten, waarbij uitwisseling van vraag en aanbod geheel en al vrijelijk tot stand komt, dus ongehinderd door economische interventies zoals regelgeving, subsidies, restricties of zelfs dwang van een overheid. Bedrijven in de vrije markt worden financieel gestut door grootbanken, die de bedrijven desgewenst structureel enorme bedragen lenen. Dat heeft wereldwijd geleid tot een reuzengebergte aan uitstaande schulden, dit terwijl de werkelijke productiviteit zich vaak maar zeer gering, of zelfs ondermaats ontwikkelt. Het monetaire systeem is hierdoor in feite bankroet. Al te vaak is er sprake van het in stand houden van zombiebedrijven en er zijn zelfs tal van landen feitelijk failliet, als zij niet, - zoals bv Griekenland of Italië -, tegen 0,048 % rente geld via de ECB zouden kunnen lenen.
Zo wordt momenteel het wankelende monetaire systeem dankzij de tomeloze inzet van de feodale high finance van de Centrale Banken in stand gehouden, die buiten alles en iedereen om hun monetaire zeepbellen maand in, maand uit, de wereld inblazen door vrijwel onbeperkt beroerde bedrijfsobligaties, dan wel slechte staatsleningen op te kopen. Taperen, oftewel: pleisters plakken. Waar dit mee eindigt laat zich gemakkelijk raden. Een financieel armageddon, waarbij de crash van 1929 zal verbleken. Geld is niet gratis, is hooguit een roesmiddel. Schuld? Keiharde drug! U en ik zijn net zo goed gehersenspoeld als alle andere wereldburgers.
Als kleuter is ook bij mij het concurrentieprincipe er reeds vroeg in gehamerd. Ik ben jarenlang als een grootvorst door het leven gegaan, omdat ik er blijkbaar goed in was door mij aangekochte bouwvallige monumentale huizen, aanvankelijk eigenhandig gerestaureerd, later met behulp van een legertje artisans, tegen excellente prijzen aan de man te brengen. Ik maakte superwinsten! Ik had na verloop van tijd ook 1.6 (spreek uit: een-punt-zes) miljoen euro schuld uitstaan. En ja hoor, ik werd ernstig ziek, kreeg polyartrose en ging fysiek bijna geheel en al, maar ook financieel vrijwel koppie-onder. Alles wat ik bezat bleek eigendom van de bank. Deurwaarders probeerden zelfs op mijn ziekbed (verstelbaar in drie standen) nog beslag te leggen (dat kon toen nog). Zo kwam ik erachter dat mijn levensvisie berustte op een totaal gefalsificeerde voorstelling van de werkelijkheid. Namelijk die van de ook aan mij al van jongs af aan voorgehouden spiegel van het volmaakte geluk, te weten: niet alleen het verlangen naar, maar daadwerkelijk ook verwerven van zoveel mogelijk uitsluitend materiële zaken en onmetelijke rijkdom, die immers binnen ieders handbereik, ook binnen het mijne ligt. Mijn ontdekking was deze: het systeem draaide door, en hoe! Wel ten koste van de zwakkeren. Een beetje bank-CEO heeft de o zo noodzakelijke nazimentaliteit om zijn onderneming ten koste van alles en iedereen op te stuwen in een absurdistische wedloop om zijn hongerende aandeelhouders zo veel mogelijk te pleasen. Mijn zogenaamd goede bank- en werkrelaties gingen binnen de kortste keren aan duigen. Broederschap? Me hoela! Jarenlang watertrappelend wist ik mij uiteindelijk geheel en al te ontworstelen aan de dagelijkse financiële tredmolen en de waanzin van de wereldwijde religieuze liturgie met als adagium: ‘klim naar boven! trap naar onder!’ Hoe goed ook geschreven, Ayn Rand ging op de hoop..Ach, arme lezer, herkent u hier iets van? Is het niet om te huilen, deze vreselijke dwangbuis? Hoeveel reclamemakers bedelven u dag in dag uit met hedonistische heilsboodschappen? Pak wat je pakken kunt! Koop! Shop! Bestel! Beleg! Leen! Eet! Zuip! Spuit! Slik! Be happy!
Welk een vloed aan volstrekt overbodige producten wordt er over u en mij uitgestort? Wat moeten wij met hele straten met snoepgoed in de supermarkten? Wilt u echt de keuze uit 25 soorten jam? Er staan 10.000 zitbanken voor bijna niets of zelfs gratis op te halen op Marktplaats, wilt u per se een nieuwe zithoek? Moeilijk kiezen toch, tussen een iPhone 12 of iPhone 12 mini? Waarom wilt u ook zo nodig minimaal vijf huizen bezitten?
Heeft u weleens bedacht wat u dagelijks echt nodig heeft, behalve een paar goede koppen koffie en wat eiwitrijk voedsel? Een Duitse kunstenaar heeft eens een aanstekelijke opstelling gemaakt van alles wat een (1) gemiddeld mens verorbert gedurende een (1) jaar. Een grote berg broden en broodjes, een stapel kazen, een paar m2 groente en aardappels, een flinke heuvel van lillend vlees, een torentje van kratten bier, ettelijke kilo’s snoepgoed. Het project besloeg een kleine zaal, die was echt wel stampvol, met een angstwekkende hoeveelheid vnl. consumptieve bullshit. En dan heb ik het dus niet over privévliegtuigen of ‘n reisje naar Mars. Nee, dit betrof de gemiddelde jaarlijkse inname van de Westerse Mens. Filosofie van het Voedsel, tja, het zette mij wel aan het denken. Is dat werkelijk alles, zijn wij ons eten? En drinken, en hoe! De afdeling sterkedrank zorgt voor de dagelijkse verdoving. Wat zou er eigenlijk gebeuren als we bijv. Europa eens een maandje droog zouden leggen..?
Is de alom actuele ideologie, die van het rauwe kapitalisme, nog houdbaar in een wereld die dankzij datzelfde rabiate gedachtegoedje terecht is gekomen in een apocalyptisch stadium? Gaat het er echt alleen nog maar om ons vol te vreten en ons klem te zuipen op massa-events? Om dagelijks op jacht te gaan naar bezit van nog veel meer overbodige spullen, grotere auto’s en meer huizen, zwembaden, dubieuze reisjes naar de ‘Maagden’eilanden, aandelen in de meest malafide ondernemingen? Op je veertigste met pensioen? Why not? Veel suc6!!
Natuurlijk, de gigantische armoede van het wereldleger van ‘deplorables’ staat hier lijnrecht tegenover. De ontelbaren (nou ja, de 99%) die als kakkerlakken het nakijken hebben, die, - als het om overleven gaat, het zullen moeten doen met niets, of hooguit met de allergoedkoopste (voedsel) - producten. Of die, als zij een beetje geluk en dus ook, - al is het maar minimaal -, een ietsie-pietsie geld te besteden hebben, hun slag slaan bij de Action, of bij Amazon.com. En zo voelen ook zij zich op hun beurt de koning te rijk. In Amsterdam-noord kun je in de lokale vestiging van de Action genieten als in een Grand Bazaar, je hoort het gezellige zoemen van de stemmen van maar liefst 179 nationaliteiten. Er zijn er die een uur doen over de aankoop van een verguld dienblaadje voor €1,99, dat wordt rond- en rondgedraaid, alsof het van goud is. Kapitalisme is kortom de grote smeltkroes, worldwide.
Hoe verhoudt zich dit alles met ons staatsbestel, of de inrichting van onze economie? Maakt het nog wezenlijk uit of je in een democratie of in een dictatuur leeft, als je alleen nog maar gelukkig wordt van uitsluitend materieel bezit? Of valt er nog meer te halen? Aan onmetelijke immateriële rijkdom wordt vrijwel geen enkele waardering toegekend. Wetenschap, Verbeelding, Kunst, Poëzie, Muziek, Filosofie, Literatuur, eh..Broederschap?
Kun je niet eten! Kun je niet kopen! Een ‘waarde’ kun je niet vastpakken! Laat maar zitten!
Onze materiële rijkdom is een voze, maar de mensheid heeft wel degelijk een harde kern. Een geestelijke, wel te verstaan. Er is een aardverschuiving nodig in ons denken. Dat laatste woord, daar gaat het mij om. Wij zijn meer dan dieren, wij zijn begiftigd met denken. We kunnen bedenken dat wij allemaal ‘citoyens’ zijn op een en dezelfde planeet en dat dit het keiharde gegeven is wat ons bindt. Als mijn denken maar glashelder is, kan ik iedereen, - welke taal men ook spreekt of uit welke cultuur men ook voortkomt, ‘verstaan’.
In een tijd dat er meer grenzen worden getrokken dan ooit, dat er meer dictaturen huishouden dan ooit, dat er steeds meer trotse naties zich afzetten tegen andere, zwakkere entiteiten, dat er miljoenen en zelfs miljarden meningen dagelijks botsen, zonder dat er van enig begrip sprake is voor de ander, in een tijd dat het overleven van de planeet zelf zelfs ter discussie staat: ja dan is dit de belangrijkste boodschap: wij zijn lang niet altijd vrije, en zeker geen gelijke wereldburgers, desalniettemin: wij zijn wel elkaars broeders en zusters, thats for sure! Wij zullen onze horizon moeten verbreden, in onze zoektocht naar de oorsprong van die broederschap. Jean-Jacques Rousseau zocht in zijn werken naar een legitimiteit voor de macht van een regering. De gedachte dat een opperwezen de regering haar bestaansrecht gaf was in het achttiende-eeuwse Frankrijk in kringen van verlichte filosofen immers niet meer aanvaardbaar, terwijl verkiezingen geen alternatief waren. Rousseau start al in 1755, in zijn ‘Discours sur l’origine de l’inégalité parmi les hommes’, met zijn onderzoek hoe de ongelijkheid van mensen in de maatschappij kon ontstaan, vanuit de gedachte dat de mens van nature wel degelijk vrij is. Hoe is hun oorspronkelijke vrijheid en gelijkheid, die ooit in hun (hypothetische) natuurstaat als le bon sauvage had bestaan, verloren gegaan?
Al idealiserend over ‘de goede wilde’ die nog niet door civilisatie was gecorrumpeerd, wordt de oermens in zijn oorspronkelijke, natuurlijke, d.w.z. volledig vrije staat door Jean-Jacques met alle denkbare goede eigenschappen toegerust. Hij beschrijft hoe allengs het vrije individu in verhouding tot andere mensen voortdurend onder machtsrelaties gebukt gaat. Zo kon hij zijn kritiek verpakken op de sociale wantoestanden tijdens het absolutistische schrikbewind van zowel Lodewijk XIV en later XV.
Het particuliere bezit, eigendom, wordt zijn belangrijkste speerpunt. De eerste mens die een stuk land omheinde en zei: ‘dit is van mij’ was de werkelijke grondlegger van de ongelijkheid. Dankzij de anderen die zo naïef waren hem te geloven ontstond daarmee de moderne, hiërarchisch geordende slavenmaatschappij. Machtiger zijn dan de ander komt namelijk simpelweg voort uit kracht: wanneer iemand zijn kracht verliest, verliest hij daarmee ook zijn macht over de ander. Om deze reden kan volgens Rousseau uit kracht nooit een recht op macht over de ander voortvloeien. Het feit dat kracht volledig gelijk is aan het recht op macht, maakt dit ‘recht’ een betekenisloos begrip. Machtsrelaties zijn niet natuurlijk, maar opgelegd, conventioneel. Hier proef je reeds de in wezen anarchistische invalshoek van de theorie van Rousseau, die we kunnen beschouwen als een pionier, niet alleen van het socialisme, maar zelfs van het theoretische anarchisme. Rousseau valt het oerprobleem aan: de baas-knechtverhouding.
‘De mens wordt vrij geboren, en overal bevindt hij zich in ketenen.’
Zo luidt de aanhef van zijn traktaat: ‘Du contrat social’ (1762). (Dit traktaat zou later heel invloedrijk worden bij de Amerikaanse Founding Fathers). Rousseau stelt hierin de vraag hoe de sociale orde idealiter moet worden ingericht om de vrijheid van ieder van de mensen te borgen. Hoe kan een mens zijn vrijheid behouden, ook wanneer hij zich in een gemeenschap met anderen verbindt? Om een samenleving in te richten waarin geen mens een ander domineert, introduceert Rousseau zijn sociale contract, waarmee de mens zijn zelfverwerkelijking kan nastreven door zijn krachten te verenigen met die van anderen, overigens uit puur eigen belang. De mens kan maar het beste zijn individuele vrijheid inruilen voor de ‘volonté générale’: de algemene wil, waarbij je als enkeling je natuurlijke rechten op vrijheid en gelijkheid afstaat aan de vertegenwoordiger van die algemene wil, door Rousseau ‘de soeverein’ genoemd. Deze algemene wil is de wil van het ondeelbare geheel van mensen: de samenleving. Het is de samenleving zelf die elke vorm van macht wettelijk reguleert. Kenmerkend is dat er afstand wordt gedaan van bepaalde vrijheden. In het sociale contract kwam bijvoorbeeld te staan dat je voortaan niet het recht hebt om voor eigen rechter te spelen. Individuele vrijheidsrechten, zoals bijv. gewoonterecht, ook wel ongeschreven recht genoemd, - vaak van generatie op generatie mondeling overgedragen, worden overgedragen aan de gemeenschap. Zo construeert Jean-Jacques een politieke theorie van het ‘maatschappelijk verdrag’. De regering, door het volk gekozen, met de macht om (grond-) wetten uit te vaardigen, ontleent haar macht aan de soevereine volkswil. Een paar kanttekeningen: de soevereiniteit is ten diepste vrij, en absolutistisch van aard. Zij laat zich volgens Jean-Jacques niet vertegenwoordigen. Zij bestaat in haar diepste wezen uit de algemene wil en die wil (van alle burgers) kan niet vertegenwoordigd worden. De afgevaardigden van het volk zijn geen vertegenwoordigers, kunnen dat ook niet zijn. Het zijn slechts ‘lasthebbers’ en zij kunnen geen definitieve beslissingen nemen. Ook dit principe van vertegenwoordigers als ‘boodschappers’ (deze term is van mijzelf) van het algemeen belang vind je later terug in anarchistische theorieën. Soms kan een individu een individuele wil hebben die de algemene wil schaadt. Wie weigert aan de algemene wil te gehoorzamen, moet daartoe worden gedwongen, want het maatschappelijk verdrag vooronderstelt dat de enkeling zich hieraan bij de sluiting ervan vrijwillig heeft verbonden. Volkssoevereiniteit dus. Gelukkig schetst hij hiermee nadrukkelijk geen blauwdruk van een totalitaire staat, zoals weleens her en der verondersteld wordt. De individuele vrijheid is immers maximaal gegarandeerd. Omdat diezelfde enkeling tegelijkertijd zelf ook onderdeel van de samenleving is, heeft de volkswil dus nadrukkelijk direct betrekking op hemzelf. Op deze manier krijgt de ‘citoyen’ zijn burgerlijke vrijheid terug voor de ingeleverde natuurlijke vrijheid. Een burger handelt daarom ‘contractueel’ in alle gevallen ten behoeve van de samenleving. Het sociale contract gebiedt de burger zelfs om in zijn individuele handelen de behoeften van de samenleving voorop te stellen. Dit is wat Rousseau onder het begrip ‘citoyen’, in de zin van ‘staatsburger’ verstaat. Bij Rousseau is vrijheid: het jezelf de wet voorschrijven; de wet zijnde het sociale contract. Een echt mysterieuze politicoloog, die Jean-Jacques! Zo beschermt de samenleving zichzelf, met al haar burgers, wettelijk, als één lichaam. Niet alleen de individuele vrijheid te doen en laten wat een ieder wil was essentieel. Het ging Jean-Jacques met name ook om de vrijheid van de willekeur van anderen. Rousseau had een vooruitziende blik: de algemene wil stond boven het individueel belang en deelbelangen. De algemene wil was dan ook niet gelijk aan de wil van allen, of de wil van een tirannieke meerderheid (of idem minderheid). In zijn ogen zou de hoogste wetgevende macht gelijk moeten zijn aan de algemene wil en zou deze macht bij het hele volk moeten liggen. De algemene wil is dus nadrukkelijk niet hetzelfde als de wil van allen. De algemene wil moet gezien worden als het algemeen belang van het collectief van de gehele samenleving, waarbij iedere burger alleen het gezamenlijke belang nastreeft. Het algemeen belang heeft dus in beginsel géén betrekking op wat alleen de meerderheid wil. Hierbij is men vrij om als gemeenschap een keuze te maken zonder de tirannie van de meerderheid. Het gaat juist om de fundamentele grondbeginselen van een rechtsstaat, waarin oog wordt gehouden op de belangen van iedereen, dus ook van minderheden en zelfs enkele individuen. De grondslag hiervan ligt thans in artikel 1 van de Nederlandse Grondwet: de gelijkwaardige behandeling van individuen door het bevoegd gezag (met dank aan Thorbecke). Rousseau vreesde politieke onvrijheid als overgave aan de willekeur van anderen. Hij was dus alert op al dan niet grote groeperingen, die slechts uit waren op overheersing door macht. Hij weerstond aldus zowel de eenzijdige druk van minderheidsgroeperingen, als ook de tirannie van meerderheidsstandpunten.
Tirannie van de meerderheid was het opleggen van de wil van een getalsmatige meerderheid aan een minderheid.
Bij het democratische meerderheidsbeginsel (in bv NL: 75 stemmen voor plus 1) kunnen minderheden (in NL bv 74 stemmen tegen) zo in de verdrukking komen. Ook de meerderheid zelf kan hiervan het slachtoffer worden door conformisme en politieke correctheid. Dit kan vergeleken worden met de onderdrukking door tirannen en despoten.
Hoewel hij bewondering had voor democratie vanwege de maatschappelijke gelijkheid voor allen, zag de Franse politiek filosoof Alexis de Tocqueville ook de nodige gevaren.
In Over de democratie in Amerika schrijft hij:
‘Er zijn mensen die beweren dat het volk, - met betrekking tot de zaken waar het belang in stelt, nooit de grenzen van recht en redelijkheid zal overschrijden en dat men daarom zonder vrees de meerderheid die dat volk vertegenwoordigt, alle macht in handen kan geven. Niemand ontkent dat
alleenheersers misbruik kunnen maken van de hun toever-trouwde macht. Hoe kan men dan staande houden dat een almachtige meerderheid dat niet zou doen? Veranderen mensen soms van aard wanneer ze zich een groep vormen? Ik hecht hier alleszins geen geloof aan en weiger het absolute beschikkingsrecht evenmin aan één man als aan meerdere te geven. Er is geen gezag op aarde, hoe respectabel op zich ook, dat ik zonder controle en zonder tegengewichten zijn gang zou laten gaan.’
Om te voorkomen dat er een absoluut en despotisch regime komt, waarvan hij de kans hoger acht bij een volk waar gelijkheid bestaat, stelt hij een aantal maatregelen voor. Zo zou het bestuur niet volledig in handen van de overheid moeten zijn, maar deels uitgevoerd worden door tijdelijk verkozen bestuursambtenaren. Vereniging van burgers, persvrijheid en onafhankelijke rechtspraak zijn ook belangrijk om een al te grote staatsmacht te voorkomen. Het begrip 'tirannie van de meerderheid' is niet afkomstig van Tocqueville, maar van de Griekse filosofen Plato en Aristoteles ‘Op plaatsen waar de wetten niet soeverein zijn, krijgen volksleiders hun kans. Het volk wordt dan tot een alleenheerser, één persoon samengesteld uit velen, want de meerderheid is er soeverein, niet als individuen maar als collectief. ... zo'n volk ... streeft als elke alleenheerser naar alleenheerschappij, doordat het zich niet laat regeren door de wet. Het gaat trekken vertonen van een despoot: de vorm van alleenheerschappij waarmee dit volksbewind te vergelijken is, is de tirannie.’ (Aristoteles, Politika). Denk hierbij eens aan Hitler of Wilders, hoe zij democratisch aan de macht kwamen.
De algemene wil moest dus volgens Jean-Jacques zo direct mogelijk uitgedrukt worden, stilzwijgende instemming van het volk was hiervoor niet geschikt. Daarmee was volgens J-J elke vorm van verkiezingen via partijen (= groepsvorming) zinloos, omdat hiermee alleen de wil van allen opgedeeld in groepen en groepjes naar voren komt. Het algemeen belang heeft dan het nakijken. Volgens mij pleitte Rousseau in feite voor een systeem van zoveel mogelijk directe democratie, (ook al weer zo’n begrip dat anarchisten meer aanspreekt).
J-J zocht maximale politieke vrijheid!
In zijn opvatting wordt ‘vrijheid’ vooral geformuleerd in termen van positieve vrijheid: de vrijheid om als enkeling zoveel als mogelijk is het eigen leven te bepalen. Bij hem is dat altijd in relatie tot de maximale vrijheid van de anderen. Vergeet daarbij alle machtsrelaties! Gezonde, sociaal statelijke politieke vrijheid gaat slechts samen met zelfbestuur. Er is pas sprake van politieke vrijheid wanneer de geregeerden zelf maximaal kunnen bepalen aan welke wetten zij willen gehoorzamen.
-
Sociaalstatelijke politieke vrijheid staat of valt als theorie dus met de meest maximale mate waarin burgers direct over hun eigen wetten en normeringen kunnen beslissen, vastgelegd in het sociaal contract.
-
Dit alles staat op gespannen voet met de vrijheid van de huidige vigerende rechtsstatelijke politieke theorie, die juist veel waarde hecht aan strikte beperkingen van burgers door de overheidsmacht.
Beide opvattingen van politieke vrijheid leggen de nadruk op participatierechten: actief kiesrecht (recht om te stemmen) en passief kiesrecht (recht om gekozen te worden).
Deze verschillende opvattingen van politieke vrijheid kunnen echter met elkaar botsen. Binnen een meer sociaalstatelijke opvatting van politieke vrijheid zal een krachtige en directieve overheid noodzakelijk zijn, om d.m.v. direct interventionisme ervoor te zorgen dat alle burgers structureel over een zekere mate van materiële vrijheid beschikken (om te beginnen).
In de rechtsstatelijke politieke filosofie, of wel het Angelsaksische model, is het vooral te doen om de maximale individuele vrijheid van de onderdanen. Isaihah Berlin noemde dit negatieve vrijheid. Met behulp van afweerrechten wordt de overheidsdwang zoveel mogelijk ingeperkt. Die rechten vormen waarborgnormen tegen staatsinmenging. Het gaat daarbij om publieke rechten die elke burger kan inroepen tegenover de overheid.
Zo stelt artikel 6 van de Grondwet over de vrijheid van godsdienst dat de overheid godsdienst niet mag verbieden of alle inwoners mag dwingen één godsdienst te volgen. Behalve vrijheid van godsdienst, kennen we de vrijheid van meningsuiting, vrijheid van pers, vrijheid van vereniging en vergadering. Verder nog het petitierecht, d.w.z. burgers hebben het recht hun overheid een verzoekschrift voor te leggen, door een klacht in te dienen d.m.v. een klachtpetitie, of een politieke petitie die al een wat meer juridische status heeft. Petities naast zich neerleggen door een rigide overheid kan ertoe leiden dat belanghebbenden de zittende regeringsvertegenwoordigers, dan wel beleidsmakers, niet langer zullen willen steunen, of zullen stemmen met de voeten (bijv. via massaprotesten). Op zich niks mis mee. Het voert te ver om hier nog nader op in te gaan*, Hobbes, Bentham en John Stuart Mill maken u een stuk wijzer.
*In mijn boek www.FilosofievandeDood.nl kom ik met een minder primitief systeem van vertegenwoordiging: i.p.v. de democratie dat werkt met een getalsmatige meerderheid van de helft van de stemmen plus 1, zet ik in dat boek de voordelen uiteen van een sociocratie.
Menselijke vrijheid betekent voor anarchisten dat niemand gedwongen wordt om iemand anders te gehoorzamen, zodat iedereen kan handelen volgens zijn gedetermineerde wil. Volgens Bakoenin kan een mens alleen vrij zijn als alle mensen om hem heen vrij zijn. Broederschap is de onderliggende waarde! Gelukkig hebben de meesten van ons geen talent voor ondergeschiktheid.
In dit verband wil ik u tenslotte graag het onovertroffen boek Alkibiades aanbevelen van mijn collega-auteur Ilja Leonard Pfeijffer, wat mij betreft een absolute must!
Bovenstaand essay komt uit het boek:
De Hilarische Historie van een Herrenhaus