Specimen van het Verzet van de Gereformeerden in W II
Het is, - naar ik mag aannemen, algemeen bekend dat het georganiseerde verzet in de Tweede Wereldoorlog voornamelijk voortkwam uit de kring van gereformeerden en communisten. Mensen met een principiële harde kern dus, zou je wellicht kunnen zeggen.
In geval van de Gereformeerden, - waar ik zelf ooit deel van uitmaakte, ging het destijds over de soevereiniteit in eigen kring, een theoretisch concept van de beroemde voorman dr. Abraham Kuyper. Dit betekende in de praktijk concreet het volgende. Je hebt als gelovige slechts verantwoording af te leggen aan God, een andere autoriteit wordt eenvoudigweg illegitiem verklaard, in hun geval destijds de Duitse kon zonder meer de pot op..Mijn ouders maakten deel uit van zo’n verzetskring in Leidschendam. Alle mensen die in het verhaal hierna genoemd worden maakten daar deel van uit. Het waren deze mensen met wie mijn vader bevriend was en bij wie hij zich thuis voelde (zijn bijnaam was Rooie Rochus).
Het verhaal is exemplarisch in die zin, dat het duidelijk wordt dat het verzet dat men pleegde niet zomaar ontstond, maar gegrondvest was in een gevoel tot een hele sterke clan te behoren, een gevoel dat al vooroorlogs aanwezig was. Deze constatering zal ongetwijfeld ook wel opgaan ten aanzien van de sterke clans van communisten die er vooroorlogs al bestonden in NL.
Met dank aan auteur Dick Kaajan, ik heb diens artikel wel aanzienlijk ingekort.
Angstige mensen, grote daden
auteur: Dick Kaajan op Wikipedia, uitgave: Januari 1999
De gereformeerden van Leidschendam kwamen de Tweede Wereldoorlog redelijk goed door. De archivaris Dick Kaajan onderzocht hun rol tijdens de bezetting. Wat opvalt, is hun consequente verzetshouding.
Met de groei van de burgerlijke gemeente Leidschendam nam ook het ledental van de kerk toe. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bedroeg dit 330 op een totale bevolking van 9213 inwoners (3,5 procent).
In 1933 wilde de synode van de gereformeerde kerken in Nederland nog geen politieke uitspraak doen over het lidmaatschap van de Nationaal Socialistische Beweging. In plaats daarvan werd het aan het oordeel van de kerkenraden overgelaten hoe men wilde handelen.
Eind 1936 was de situatie veranderd doordat de NSB inmiddels een verkiezingsoverwinning had behaald. Dat jaar veroordeelde de synode mede op verzoek van verschillende classes en kerkenraden alsnog het lidmaatschap van de NSB. Eenzelfde lot trof de anti-militaristische Christen-Democratische Unie. Beide lidmaatschappen werden onverenigbaar geacht met het kerkelijk lidmaatschap. Kerkenraden werden opgeroepen dwalende gemeenteleden te vermanen en zonodig van het Avondmaal af te houden en wanneer ze 'onder tucht' stonden hun kinderen niet te laten dopen. Al enkele maanden daarvoor had de Leidschendamse kerkenraad er blijk van gegeven alert te zijn. Een gemeentelid dat 'sterke NSB-sympathieën' toonde, moest voor de kerkenraad verschijnen om 'over zijn lidmaatschap van de NSB' uitleg te geven. Dit was echter een uitzondering. Na het uitbreken van de oorlog zag de kerkenraad zich geen enkele maal genoodzaakt tuchtmaatregelen tegen NSB-ers te nemen. Daar bracht het feit dat een enkeling soms lichte pro-Duitse neigingen had, geen verandering in. Toen de particuliere synode van Zuid-Holland begin 1946 een onderzoek naar NSB-kinderen (doopleden) in de verschillende gemeenten wilde instellen, kon de kerkenraad melden dat dergelijke kinderen hier niet voorkwamen. Voornoemde ondervraging viel nog in de ambtsperiode van dominee M. Boukema, die van 1930 tot en met 1941 predikant in Leidschendam was. Het was voor hem zijn eerste gemeente. Dit gold eveneens voor zijn opvolger, dominee B. Rietveld, wiens ambtsperiode van 6 september 1942 tot 21 oktober 1945 grotendeels samenviel met de oorlog.
De razzia van 9 februari 1943
Met het vorderen van de oorlog probeerde NSB-leider ir. A.A. Mussert zijn macht uit te breiden. Met het vormen van een schaduwkabinet van 'gemachtigden' leek hij in februari 1943 zijn doel steeds meer te bereiken. Een van zijn medewerkers was de Nederlandse generaal H.A. Seyffardt, die tot gemachtigde voor het Nederlands Legioen werd benoemd.
Als reactie op deze ontwikkelingen liquideerden twee leden van de verzetsgroep C-6 op 5 februari Seyffardt in zijn Scheveningse woning. Dit had tot gevolg dat de Duitsers op 6 en 9 februari razzia's hielden. Allereerst onder studenten. Op een of andere manier bevroedde de reservekapitein G.E Boulogne uit Leidschendam dat het hier niet beperkt toe zou blijven. Daarom waarschuwde hij op zondag 7 februari na de ochtenddienst alle jongens van achttien jaar en ouder. Inmiddels was er diezelfde ochtend in Voorschoten een aanslag gepleegd op het gezin van H. Reydon, de secretaris-generaal van Volksvoorlichting en Kunsten. Boulogne's advies voorkwam, dat de Rotterdamse evacué W. van Vliet op 9 februari in handen van de Duitsers viel. Tweeëndertig andere jongens waren minder fortuinlijk. Ze werden opgepakt en naar het kamp Vught gebracht, vanwaar ze allen na korte of langere tijd terugkeerden.
Gevolgen van Duitse maatregelen
De eind 1941 ingestelde Arbeidsdienst riep bij het kerkvolk mettertijd meer verzet op. Deze was bedoeld om vrijwilligers de gelegenheid te geven in Nederland of Duitsland voor de bezetter te gaan werken. Doordat ondersteuning of uitkering bij weigering werd stopgezet, werden steuntrekkers en werklozen overigens min of meer gedwongen.
In Leidschendam dook aanvankelijk ongeveer 70 procent van de gereformeerde jongens onder om zich aan de Arbeidsdienst te onttrekken. Dit was een van de terreinen waarvan de classis Utrecht vond dat de christenen daartegen te weifelend en zwak optraden. Daarom stuurde zij in juni 1943 aan alle classes en kerkenraden een 'getuigenis'.
Deze weifelende houding uitte zich ook in het optreden van christenpolitie- ambtenaren bij de Jodenvervolging, de vrijheidsberoving van duizenden gijzelaars en de medewerking van ambtenaren aan deportaties van arbeiders naar Duitsland. Ook wanneer zij dit met tegenzin deden vanwege broodwinning en positie, vond de classis dit een blijk van een tekort aan geloofsvertrouwen.
De Leidschendamse kerkenraad stemde van ganser harte in met de inhoud van dit getuigenis en gaf gehoor aan de oproep om in prediking, catechese en persoonlijk gesprek tegen 'deze zondige mentaliteit' te waarschuwen.
Dominee Rietveld, die een ware herder voor zijn gemeente was, was zeer duidelijk in zijn prediking tegen de Duitsers. Dit zal zeker gewetensvolle gemeenteleden, van wie een aantal later actief in het verzet was, hebben geholpen bij hun standpuntbepaling tegenover de Duitse bezetter. Door zelf mee te werken aan het verzet en de hulp aan onderduikers gaf dominee Rietveld het voorbeeld en beantwoordde hij deze vraag indirect. Dat werkte inspirerend op gemeenteleden die zich hier ook voor inzetten. Bijzonder aan het verzetswerk was, dat daarbij onderlinge maatschappelijke verschillen wegvielen en het saamhorigheidsgevoel toenam. Een van de toenmalige verzetsmensen benadrukte overigens, dat het God zelf was die ervoor zorgde dat de Leidschendamse illegaliteit relatief goed door de oorlog kwam. Op zich angstige mensen bleken met al hun gebreken tot grote daden in staat. Volgens de kerkenraad nam het Godsvertrouwen tijdens de oorlog bij velen toe.
De voorlichting van 'Frits de Zwerver'
Het was begin 1943 dat het georganiseerde verzet landelijk vaste vorm kreeg. Aanleiding was het feit dat de Duitsers naast de Jodenvervolging en de Arbeidsdienst in april 1943 het voormalige Nederlandse leger in krijgsgevangenschap wilde voeren. Hierdoor nam de bereidheid bij de bevolking om verzet te bieden en onderduikers te helpen sterk toe. Dit gold ook voor Leidschendam, waar de politieke situatie sterk was gewijzigd. De Duitsers hadden kort tevoren burgemeester H.A.C. Banning afgezet en vervangen door de NSB-er M.A. Simonis. Onder deze omstandigheden was een duidelijke voorlichting aan de kerkelijke gemeente gewenst. Daarom werd dominee F. Slomp uit het Overijsselse Heemse, beter bekend als 'Frits de Zwerver', uitgenodigd om op 11 juli in Leidschendam te komen preken.
Frits de Zwerver was nauw betrokken bij het oprichten van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO), waaruit later de Landelijke Knokploegen (LKP) en andere verbanden voortkwamen. Hij werd toen al ruim een jaar zwaar gezocht vanwege zijn openlijk oproepen tot sabotage tegen de Duitsers. 's-Morgens preekte hij over het tekstgedeelte uit Lucas 10:18:
'En Hij zeide tot hen: 'Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen'.
Het was duidelijk wie in 1943 als satan moest worden gezien. In de middagdienst ging het over de houding van de vroedvrouwen in Egypte. Deze bedienden zich van een schijnleugen om de pasgeboren Israëlitische jongetjes te redden van de hand van de farao, zodat het volk Israël kon blijven groeien. In zijn uitleg van de Schrift trok dominee Slomp de lijnen door naar de huidige situatie. Zoals de vroedvrouwen het werk van de farao saboteerden, zo moest men dit nu doen tegen Hitler, die ook een aanslag op de geest van de hedendaagse jeugd deed. Voor Hitler behoorden kinderen aan de Staat, wat strijdig was met de doopbelofte die de ouders hadden afgelegd.
's Avonds werd een besloten gemeentevergadering gehouden. Daarin werden zaken als deelname aan de Arbeidsdienst en het onderduiken besproken. Daden bleven niet uit. Enerzijds ging men zelf meer onderduiken, anderzijds verleende men onderdak aan onderduikers.
'Dacht men voordien de enige te zijn, die onderduikers herbergde', aldus de kerkenraad in 1948, 'na dat bezoek [van dominee Slomp-red.] wist men, dat anderen het ook deden, al wist men niet wie. ‘Zelfs in onze eigen gemeente is veel van dit werk tot na de bevrijding verborgen gebleven'.
Zo verrichtte schipper Roos bijvoorbeeld koeriersdiensten naar Amsterdam.
Vanaf die tijd gaf geen enkele jongen meer gehoor aan de oproep voor de Arbeidsdienst en was onderduiken normaal. Door samenwerking tussen geestelijken, artsen en ambtenaren ontstond op de grens van Leidschendam en Voorburg een groep voor hulp aan onderduikers. Hiertoe behoorden onder meer diaken H. van Dokkum en de gemeenteleden B. Bieleveld en H. van Kesteren. Het waren juist de contacten met de gemeenteleden waarop de geestelijken konden terugvallen.
Toen er een eigen rayon van de LO in Leidschendam werd ingesteld, werd het gemeentelid G. Meester rayonleider.
Eind november 1943 schrok dominee Rietveld er niet voor terug om voor onderduikers te laten collecteren. Hoewel burgemeester Simonis van Leischendam hier ontstemd over was en zich er bij de Sicherheltsdienst (SD) over beklaagde, bleef dit bij gebrek aan bewijs zonder gevolgen.
Nadat dit al enkele keren eerder was gepoogd gelukte het in het laatste oorlogsjaar om naast de LO voor militair verzet een groep van vijftien man te vormen, waarvan het gemeentelid oud-kapitein B. Tesink de leiding op zich nam.
Onderdak voor evacués
In juli 1940 moest Leidschendam 230 vluchtelingen uit het gebombardeerde Rotterdam hulp bieden. Onder hen waren ook gereformeerden. Het kleine kerkje aan de Damlaan was voor sommigen wel wennen, gewend als deze waren aan grote stadskerken als de Nieuwe Zuiderkerk, de Bergsingelkerk en de Statensingelkerk met elk zo'n ruim 1000 zitplaatsen. Eind 1942 en begin 1943 kwam hier een nieuwe groep evacués van 33 personen uit Scheveningen en Den Haag bij. Dit hield verband met de aanleg door de Duitsers van een verdedigingswal (de 'Atlantikwal') tegen mogelijke landingen van de geallieerden. Door halve stadswijken te slopen hadden zij een brede kuststrook tot vestingwerk getransformeerd.
In 1944 groeide hun aantal tot 71 (ruim 8 procent van het totale aantal evacués). Deze groep zou tot omstreeks augustus 1945 in Leidschendam blijven wonen. Hierdoor nam het aantal kerkgangers dusdanig toe dat er vanaf april 1944 's morgens dubbele diensten werden gehouden, die door zo'n ruim 200 en 100 personen werden bezocht.
Hulp aan joden en onderduikers
Vanaf eind 1940 werd de vrijheid van de joden door allerlei verordeningen steeds meer beperkt. Hoewel de gereformeerde synode hier af en toe tegen protesteerde, waren het niet zozeer de kerkenraden als wel de individuele gemeenteleden die de joden daadwerkelijk hulp boden. In Leidschendam konden ongeveer dertig joden op zo'n acht adressen onderduiken.
In vier gevallen betrof het ambtsdragers, wat relatief veel is wanneer men bedenkt dat de kerkenraad toen inclusief de predikant zeven leden telde. De eerdergenoemde diaken H. van Dokkum huisvestte ook zelf een joodse onderduiker. Terwijl hij op zijn werk in Den Haag was, werd er in juli 1944 een inval bij hem gedaan. De onderduiker wist ternauwernood te ontkomen. Van Dokkum werd genoodzaakt tijdelijk zelf onder te duiken.
Ouderling H. Batelaan, directeur van het gemeentelijk lichtbedrijf in de Nieuwstraat, herbergde het gezin van M. Pagrach. Er werden in die tijd zelfs twee kinderen geboren. Verder bood de pastorie van dominee Rietveld (het tegenwoordige shoarma-restaurant Tel Aviv, Damlaan 43) onderdak aan joden. In een kritieke situatie liet hij ze gedurende enige weken naar de kerkzolder verhuizen. Een ideale, maar zeer gevaarlijke schuilplaats, daar men alleen op de binten kon lopen.
Met het gemeentelid A. Vesseur, bij wie ook een joodse familie was ondergedoken, ging het op het allerlaatst minder voorspoedig. Als uitgever van een illegaal krantje werd hij op 13 april 1945 door de SD gearresteerd en met zijn onderduikers naar de strafgevangenis Scheveningen overgebracht. Ze kwamen alle ongedeerd op 6 mei vrij.
Ook het gezin De Waardt huisvestte de hele oorlog door onderduikers. Evenals de bij hem verblijvende onderduikers wist H. de Waardt ternauwernood aan een arrestatie door de Duitsers te ontkomen. Het was op zijn adres dat dominee Rietveld aan het eind van de oorlog een maand met zijn zieke vrouw onderdook. Om veiligheidsredenen kon hij toen niet langer preken. Daarop besloot hij eind maart 1945 de herderloze gereformeerde kerk van Schiebroek bij te staan.
Het laatste oorlogsjaar
Door de toenemende tekorten op het gebied van voedsel, gas en elektriciteit was het laatste oorlogsjaar een van de zwaarste jaren. In dat jaar namen de vervolgingen toe. Hoewel een deel van de Leidschendamse bevolking uit boeren en tuinders bestond, waren de gevolgen van de voedseltekorten ook hier merkbaar. Door de nabijheid van Den Haag waren de voorraden in de hongerwinter verkocht. Sommige boeren maakten misbruik van de situatie en werden zelf zwarthandelaar. Het Wilsveense gemeentelid Jansen liet daarentegen het verzet 's nachts met voorkennis een koe stelen, waarvoor hem eerder door een zwarthandelaar een hoog bedrag was geboden. De verzetsman H. de Waardt had in 1944 nog de beschikking over een bedrijfsauto. Mede door familierelaties bracht hij samen met andere verzetsstrijders uit Leidschendam verschillende joden en onderduikers tot achter de IJssellinie. Verder slaagden zij er ondanks beschietingen door de Engelse vliegtuigen in om tijdens de hongerwinter vier voedseltransporten, waaronder een vanuit Groningen, te organiseren. Een deel daarvan was bestemd voor het ziekenhuis St. Antoniushove. Daarnaast organiseerde de kerkenraad een kinderuitzending naar Friesland. 'Onderling Hulpbetoon' collecteerde begin 1945 voor dit doel. De bijdragen waren voldoende voor ongeveer 60 kinderen. Ongeveer de helft van deze groep kinderen werd in de hongerwinter naar Marrum gebracht. De kinderen werden in gereformeerde gezinnen ondergebracht.
Dick Kaajan
Dit artikel komt uit het boek: https://www.uitgeverijpartout.nl/product/19163037/de-hilarische-historie-van-een-herrenhaus