De Ziekenboeg
Toen eenmaal het IJzeren Gordijn definitief gevallen was, gingen wij, - vermoedelijk als een van de eersten, op zoek naar renovatie-objecten op de uitgestrekte puszta, in het godverlaten Hongarije. Daar troffen wij, - net als eerder bij ons in NL in Friesland en Groningen, etc., talloze leegstaande landhuizen en grote monumentale boerderijen aan op het platteland, die voor peanuts te koop werden aangeboden.
‘Wat komen jullie hier in godsnaam doen?’ vroegen de verbaasde eigenaren. ‘Het is hier zo lekker stil’ kregen zij raadselachtig van ons ten antwoord.
We betaalden hen steevast de vraagprijs, soms was dat niet meer dan (toen nog) f 500.- gulden! Je kon overigens juridisch als buitenlander niets kopen, maar daar had ik iets op gevonden. De eigenaren waren vaak stokoude mensen, die ik uiterst vriendelijk verzocht ieder van ons in hun (door mij op te stellen) testament op te nemen. Zo kregen wij allengs een stuk of zes van die barrels op naam van mij, mijn echtgenote en inmiddels onze vier jonge zoons. Wanneer de oudjes eenmaal zouden overlijden, werden wij vanzelf, - dankzij het zelfs door de communisten niet stuk te krijgen erfrecht!, alsnog stuk voor stuk eigenaar van de door ons gekochte objecten. Vaak stonden de antieke meubeltjes er nog in.
Aan de slag!
Op een goeie dag was ik zelf als eerste laat in de middag aangekomen bij een van de afgelegen Tanyas die we met vereende krachten zouden gaan renoveren. Na mij zouden mijn zoons met nog een stuk of wat vrienden, de volgende dag pas arriveren. Het zou een soort werkvakantie worden. Mijn echtgenote vertoefde elders. Het werd al donker, er was ook daar geen stroom en geen water, niets. In een van de kamertjes met lemen muren stond nog een soort veldbedje, doodmoe na de lange reis vleide ik mij neer op dit gammele geval en bevond mij al snel in dromenland.
Midden in de nacht schrok ik bezweet wakker.
Het hoosde, een wolkbreuk! Bliksem en donder deden een wedstrijdje, toen ik uit het raam keek zag ik rondom het huis tien centimeter water kolken, bliksembollen tolden rond het huis. Takken sloegen tegen het raam, in de hoek van de kamer kwam ineens een stuk van het lemen plafond naar beneden. Het leek wel of het hele huis zou gaan wegspoelen. Ik bleef geparalyseerd van angst liggen, het zweet stroomde nu met bakken uit mijn lichaam. Ineens wist ik het: het kwaad manifesteerde zich, nam bezit van me, verlamde me.
Bloed aan de paal
De volgende ochtend werd ik wakker, ik was totaal geradbraakt vanwege die zware nacht. ’s Middags zou mijn oudste zoon met zijn vriendin aankomen met onze auto met aanhanger, daar stak een ladder boven op het plastic dak nogal lang uit. Er was geen weg naar deze tanya, dus mijn zoon moest manoeuvreren via een soort slalom via de bomen van het omringende bos. Ineens hoorde ik een luide knal. Naar later bleek, had hij zich een kort moment omgedraaid om te kijken of het wel goed ging met die uitstekende ladder.. Hoe dan ook: daardoor was hij frontaal tegen een boom gecrasht. De auto bleek later total loss. Wat erger was, zijn vriendin was door de voorruit gevlogen, ze bloedde, ik zag hier en daar glassplinters glinsteren in de bloedende wond op haar voorhoofd.
Een ongeluk zit in een klein hoekje
Nadat de dag daarop ook de andere jongelui allemaal gearriveerd waren, wilde een van hen meteen aan het werk. Prima, er moest met een houweel een gat gemaakt worden in een van de lemen buitenmuren. Ook de andere boys gaf ik een paar bouwopdrachten. Ineens hoorde ik een schreeuw. Die met dat zware houweel was op een klapstoeltje gaan staan en dat was ineens dichtgeklapt, waardoor hij het houweel in zijn gezicht gekregen had. Zowat al zijn tanden lagen op de grond, we moesten deze een voor een oprapen. De lokale tandarts heeft ze later vakkundig een voor een teruggeplaatst in hun holtes met een hamertje.
Apotheose
Tenslotte, na een lange week met allerlei andere kleinere tegenslagen, voltrok zich de apotheose. Het was inmiddels snikheet, hier en daar kon je al niet meer over het asfalt open, dat werd zo zacht als boter, ‘t was aan het smelten! Om af te koelen waren we na een lange werkdag naar een stadje in de buurt getogen, om het ergste zweet af te spoelen in een natuurbad in een van de bossen. De waarschuwing op de borden om niet te duiken en om te zorgen dat je geen water binnen kreeg, werden door de werkploeg binnen de kortste keren genegeerd. Elk van de uitgeputte boys wist niet hoe gauw ze vanaf de kant een snoekduik moesten nemen, waarna ze proestend en water spuwend boven kwamen. Hier en daar zwommen reusachtige kikkers om hen heen.
Het noro-virus slaat toe
En ja hoor, die dag erna nam het Kwade wederom wraak. Het zeer besmettelijke norovirus sloeg toe. Een voor een begonnen de jongens over te geven. Ze kregen hoge koorts en werden goed ziek. Ik probeerde aanvankelijk zo goed en zo kwaad als het ging voor hen te zorgen.
Lazaret
De volgende ochtend waren ze echter allemaal doodziek, (op een na). Ik moest naar de huisarts met ze. Deze arts, een vrouw, spoot met een veel te dikke naald penicilline in al die armen en armpjes. Dagenlang bleven ze maar ziek, met steeds hogere koorts. En maar overgeven, terwijl er niets meer over te geven viel dan wat zwarte smurrie. Ik had in de bedompte woonkamer een soort hospitaaltje gefabriekt. Ze lagen allemaal hutjemutje op een rij, als in een lazaret. De kleinsten werden al gauw vel over been, hun gezichtjes doorschijnend.
Mijn vrouw in Griekenland kon ik niet bereiken. De verantwoordelijkheid voor de kinderen van bevriende ouders die ook mee waren, woog loodzwaar op me.
Op een gegeven moment gaf de huisarts aan dat de penicilline op was. Ik moest er zelf op uit om te kijken of er in de omliggende dorpen nog iets te vinden was. Ik herinner mij dat ik al bellend met een munttelefoon mijzelf ook ineens zwaar ziek voelde worden. Ik moest echter door. Toen ik terugkwam was de op een na jongste, - gelukkig een van mijn eigen kinderen, aan het uitdrogen. Ik racete met hem naar de grootstad Szeged, en rende met hem, - slap hangend in mijn armen omdat hij dreigde te bezwijken, de trappen op van het lokale ziekenhuis. Er kwamen een paar mensen naar buiten gestormd om me te helpen. Hij werd, - eenmaal binnen, eerst minstens 25 minuten onder een koude douche gezet, om de koorts te temperen. Vervolgens werd hij op een bed vast- gebonden met leren riemen, en ging hij aan het infuus. Ik mocht niet langer bij hem blijven. Ik ging terug, er zat niets anders op dan terug te gaan naar de ziekenboeg, om weer zo goed mogelijk de anderen te verzorgen.
Pijn?
's Avonds retour in het ziekenhuis, mocht ik even om de deur van het kamertje naar mijn zoon koekeloeren, hij lag er rustig bij. Wel hoorde ik veel andere kinderen op die afdeling huilen en jammeren. Er was niemand te bekennen. Ik liep verder, op zoek naar een verpleegster, die trof ik uiteindelijk aan in de keuken, verdiept in een beduimeld boekje. Ze liet het me zien. Het was een woordenboekje Hongaars - Nederlands. Ze wees naar een woord: ‘Fájdalom’. Even later las zij het aan het bed van mijn zoontje moeizaam in het Nederlands voor: ‘Pijn?’.
Ik barstte in snikken uit, zo ontroerd was ik hierdoor.
Niet alleen mijn zoon was in goede handen.
De ganse ziekenboeg heeft het uiteindelijk goed weten te overleven.
Dit is een van de korte verhalen uit de bundel: Appetijt